Drie dagen zijn precies genoeg om de belangrijkste plekken van Sevilla te zien zonder te jagen: de eerste dag besteed je aan de kathedraal, de Giralda en de Alcázar, de tweede dag aan de wijken Santa Cruz, Triana en het riviergebied, en de derde dag aan Plaza de España, het park en een rustig einde met tapas. In februari is dat bovendien een goed moment, want de zomerhitte ontbreekt en je loopt niet in de rij tussen cruisepassagiers. Hieronder staat een dagindeling die je makkelijk kunt aanpassen aan je eigen tempo.
Wat je in februari kunt verwachten
De middagtemperatuur ligt in februari meestal rond de 16 tot 18 graden, soms iets hoger bij zon. 's Avonds koelt het af tot 6 of 7 graden, dus neem een warme jas of vest mee. Het is een van de natste maanden van het jaar, maar buien duren zelden de hele dag. Neem daarom een compacte paraplu mee en bedenk een plan B met musea of overdekte markten. De dagen zijn korter dan in de zomer, wat betekent dat het rond zes uur 's avonds al schemert.
Februari is ook laagseizoen voor toerisme, dus hotelprijzen liggen lager en de wachtrijen bij de grote bezienswaardigheden zijn korter. Boek de Alcázar toch altijd een paar dagen van tevoren online op een vast tijdslot, want de capaciteit is beperkt en kaarten voor dezelfde dag raken in het weekend uitverkocht. Reken voor de Alcázar en de kathedraal elk op ongeveer 15 tot 20 euro per persoon, en controleer de actuele prijzen en openingstijden vlak voor je vertrek.
Dag 1: kathedraal, Giralda en Real Alcázar
Begin met de kathedraal van Sevilla, een van de grootste gotische kerken ter wereld. Bezoek hem zo vroeg mogelijk, bijvoorbeeld om negen uur, voordat de groepen binnenkomen. Binnen vind je het grafmonument van Christoffel Columbus en een enorm gouden altaarstuk. De Giralda, de toren naast de kathedraal, is ruim 100 meter hoog en je loopt omhoog via een reeks hellingen in plaats van trappen. Dat is een stuk comfortabeler dan het klinkt, en het uitzicht over de oranjekleurige daken is het waard.
Na de lunch ga je naar de Real Alcázar, het koninklijke paleis dat deels uit de Moorse periode stamt. Plan hier minstens twee uur voor. De tuinen zijn in februari rustig en vaak vrij van drukte, en de fijne tegelwerken en de binnenplaatsen komen mooi tot hun recht. Eindig de dag met een wandeling door het stadsdeel rond de Plaza del Triunfo, waar de koetsen langs de kathedraal rijden.
Dag 2: Santa Cruz, Triana en de rivier
De tweede dag is de dag van de wijken. Begin in Barrio Santa Cruz, het oude Joodse kwartier met smalle steegjes, patio's en pleintjes met sinaasappelbomen. Loop zonder vaste route, want juist de kleine zijstraten zijn het mooist. Bezoek rond het middaguur Casa de Pilatos, een paleis dat Mudejar, renaissance en gotiek mengt en veel minder bezocht wordt dan de Alcázar.
Steek 's middags de brug over naar Triana, de wijk aan de overkant van de Guadalquivir. Triana staat bekend om zijn keramiek en zijn flamencotraditie. Loop langs de markt van Triana, waar je terecht kunt voor een lunch of een snelle tapa. Is het droog, neem dan aan het eind van de middag een wandeling langs de rivier terug naar het centrum.
Flamenco aan het einde van de dag
Een kleine flamencovoorstelling in een intiem zaaltje is een goede afsluiting van de dag. Kies een voorstelling met een kleine zaal van maximaal enkele tientallen plaatsen, zodat je de gitaar en de voetenstampen van dichtbij hoort en ziet. Boek van tevoren, want de kleine locaties zitten snel vol.
Dag 3: Plaza de España, het park en de Setas
Op de derde dag begin je bij Plaza de España, het halfronde plein met bruggetjes en tegeltableaus per Spaanse provincie, gebouwd voor de wereldtentoonstelling van 1929. Het plein is gratis te bezoeken en het ligt in het Parque de María Luisa, een groot park waar je zonder haast doorheen kunt lopen. In februari ontbreekt het groen van de zomer, maar de bomen beginnen al te bloeien en de paden zijn rustig.
Ga daarna naar de Metropol Parasol, in de volksmond de Setas, een enorme houten constructie boven het plein Plaza de la Encarnación. Via een lift kom je naar het dakterras, waar je de stad van bovenaf ziet. Ga bij voorkeur kort voor zonsondergang, als het licht warm wordt en de daken goudkleurig kleuren. Beneden is een kleine markt met eetkraampjes en een museum over de Romeinse resten die onder het plein zijn gevonden.
Eten en drinken: zo pak je het aan
Sevilla staat bekend om tapas, en de beste manier om ze te eten is door van bar naar bar te lopen en op elke plek een of twee gerechten te bestellen. Probeer solomillo al whisky, spinazie met kikkererwten, gerookte ham en gefrituurde vis. Veel bars serveren in de middag tussen twee en vier uur, en in de avond pas vanaf acht uur. Ontbijt doe je zoals de lokale bevolking, met tostada met olijfolie en tomaat en een café con leche.
Praktische tips voor de dagindeling
Het centrum van Sevilla is compact, dus je loopt vrijwel overal naartoe. Alleen voor de afstand naar Plaza de España en het park kun je overwegen de bus of een huurfiets te nemen. Comfortabele schoenen zijn belangrijker dan je denkt, want de straten zijn bestraat met kasseien en je legt gemakkelijk tien tot vijftien kilometer per dag af. Een goede basis is een hotel of appartement bij Santa Cruz, de Alameda of de omgeving van de kathedraal.
Vlieg je vanuit Nederland, dan zijn er directe vluchten naar Sevilla, en vanaf het vliegveld pak je de bus of een taxi naar het centrum in ongeveer 30 minuten. Kijk voor je vertrek naar de actuele dienstregeling, want die kan in het laagseizoen verschillen van de zomer. Heb je een extra dag, dan loont een dagtrip naar Córdoba met de snelle trein, die er ruim 40 minuten over doet.
Wie in februari naar Sevilla gaat, krijgt een stad zonder de hitte en de drukte, met genoeg tijd om uitgebreid te lunchen en zonder haast door de binnenplaatsen te lopen. Plan een ruime pauze rond het middaguur in, houd een regenjas bij de hand en laat één dagdeel vrij voor wat je onderweg tegenkomt.