De Big Five van de Hoge Veluwe

Bij de Big Five denken we vaak aan Zuid Afrika, maar ook in Nederland kunnen we “op jacht” naar de Big Five. In mijn geval heb ik er Big Six van gemaakt, want kiezen tussen das of vos als nummer vijf, dat wilde ik niet. Big Six dus, edelhert, ree, wild zwijn, moeflon, vos en das.

Door: Anne van der Feest

Op de Hoge Veluwe ben ik de uitdaging aangegaan om ze in een weekend tijd te spotten. Tentje neerzetten en zodra de zon op is op pad, zodra de zon onder gaat weer terug de tent in. Van vrijdag tot zondag genieten van een mooi natuurgebied en veel dieren. Wandelend kom je op de mooiste en stilste plekken en vind je met geluk die Big Six. Op de vos na, zag ik ze allemaal in dit ene weekend. Toch wil ik de vos, die ik daar eerder al heb gezien graag vermelden.

Het Edelhert

Herkennen: Het grootste hert dat in Nederland voorkomt. In de zomer een roodbruin en in de winter grijsachtig bruin van kleur, grote oren die van binnen behaard zijn, grote donkere ogen en een spitse snuit met donkere neus. Het mannetje heeft een gewei. Tegen het einde van de winter valt het gewei af en groeit een nieuw. Jonge dieren hebben een gevlekte, bruine vacht. Edelherten maken niet veel geluid. De hinden laten een soort blaffend geluid horen als ze verstoord worden. De jongen blaten, wat door de moederdieren met een schaapachtig geluid wordt beantwoord. In de bronsttijd maken de mannetjes een brullend of loeiend geluid, ook wel burlen genoemd.

Leefwijze: Normaal gesproken zijn edelherten dagactief. Op plaatsen waar veel mensen komen trekken ze zich wat meer terug en zijn ze vooral in de ochtend of avond te spotten. De goede neus ruikt tot over een afstand van 300 meter. Hun ogen staan ver uit elkaar waardoor ze ook een breed gezichtsveld hebben. Ook het gehoor is scherp. In zomer en winter leven de herten in roedels. Mannen apart in een roedel en vrouwen en kinderen in een eigen roedel. Tegen de bronst splitsen de mannenroedels en gaan achter de dames aan. Na 8 ½ maand worden de kalfjes geboren. Edelherten worden maximaal vijfentwintig jaar oud, maar vaak niet ouder dan vijftien jaar. Het sterftecijfer is het hoogst onder kalfjes tussen de acht en elf maanden.

Sporen: Het edelhert maakt gebruik van wissels, regelmatig of veelvuldig belopen paadjes, die vaak ook door andere dieren worden gebruikt. Het gewei wordt afgeworpen en met heel veel geluk is dat te vinden. In de ruitijd zijn plukken haar te vinden. Ook hun badplaatsen, zoelen, zijn te herkennen. Een modderpoel met schuurbomen. Vraatsporen zijn te vinden aan bomen, maar ook aan korenaren en bieten. Het gewei laat veegsporen na op bomen, maar ook diepe krassen als ze in de bronsttijd bomen “aanvallen” om hun territorium te verdedigen en indruk op de hindes te maken. De keutels zijn capsulevormig en liggen vaak in groepjes bij elkaar. De hoefafdrukken van een mannetje zijn een stuk groter dan die van een vrouwtje. Een mannetje heeft 6-7 cm brede en 8-9 cm lange prenten en een vrouwtje 4-5 cm brede en 6-7 cm lange prenten.

De Ree

Herkennen: Kleiner dan het edelhert, een zandgele tot roodbruine vacht in de zomer die in de herfst langer wordt en verkleurt tot grijsbruin. Doordat een ree geen staart heeft is de spiegel, een witgele vlek op de kont, goed te zien. De neus is zwart en de kin wit. Reeën hebben grote donkere ogen en grote oren. Een volwassen mannetje heeft een gewei, met drie tot zes vertakkingen. Ook dit gewei wordt afgeworpen . Reeën kunnen het hele jaar door 'blaffen', tijdens de bronst maken ze ook klaaglijke schreeuwtjes en produceren ze schor gepiep. Een geit maakt klagelijke kreten in de paartijd en wanneer ze haar kalf roept. Jonge kalveren op zoek naar hun moeder maken een vergelijkbaar geluid.

Leefwijze: Verspreid over de dag actief, maar vooral in de schemer te spotten. Ze leven in de winter en het voorjaar min of meer solitair. De rest van het jaar leven ze in groepjes, ook wel sprongen genoemd. Reeën zijn gewoontedieren: ze gebruiken steeds dezelfde routes, wissels, door het bos. Een ree kan goed zwemmen en hard lopen. Een verontruste ree stampt met de voorpoot. Een reegeit verdedigt haar jong door met haar hoeven te trappelen. De bronsttijd valt in juli en augustus. Eind december, na een verlengde draagtijd, komt het embryo tot ontwikkeling. Vrouwtjes die in de zomer niet drachtig zijn geraakt, worden in oktober een tweede keer bronstig. Deze dieren hebben geen verlengde draagtijd (kiemrust). Eind mei, begin juni, worden de kalveren, meestal een tweeling, geboren. Reeën worden maximaal twintig jaar oud, maar meestal slechts zeven tot acht jaar. Vrouwtjes worden iets ouder dan mannetjes.

Sporen: Ook reeën maken gebruik van wissels, laten vraatsporen na op bomen en veegsporen van het gewei. Verder kunnen reeën vraatlijnen aan bosranden veroorzaken, tot op ongeveer 150 cm hoogte. De keutels van een ree zijn 7-10 mm dik en 6-13 mm lang en eikel- of capsulevorming. Ze zijn donker van kleur en vaak liggen ze in kleine hoeveelheden bij elkaar. De hoefafdrukken van een ree zijn 3-4 cm breed en ruim 4,5 cm lang, wanneer de bijhoeven te zien zijn, zijn de prenten tot 7 cm lang.

 

Het Wild Zwijn

Herkennen: Het wilde zwijn wordt ook wel everzwijn genoemd maar ook zwart wild of borstelwild. Een mannetje heet ook wel keiler, het vrouwtje zeug en een groep noemt men rotte of rot. Het zwijn heeft een donkere, borstelige vacht met een dikke ondervacht. In de lente verhaart het zwijn en krijgt hij een kortere en lichtere vacht. Het heeft een gedrongen romp en een langwerpige kop met een afgeplatte, sterke snuit. De oren zijn breed, rechtopstaand en behaard en hij heeft kleine ogen. De staart is recht en vrij lang en volwassen dieren hebben er een pluim aan. Een volwassen mannetje heeft twee slagtanden. Het zijn de twee hoektanden in de onderkaak die naar boven gericht staan. Ook de bovenste hoektanden zijn sterk ontwikkeld en wijzen omhoog. Hoe ouder een mannetje is, hoe verder deze hoektanden naar boven uitsteken. Jonge wilde zwijnen hebben een zwartbruine vacht met goudgeelachtige strepen. Deze lopen van voor naar achter over de rug. Het zwijn maakt knorrende en brommende geluiden. Wanneer het dier in paniek is of angst heeft, is een hoog geschreeuw te horen.

Leefwijze: Zwijnen zijn nacht- en schemerdieren, in rustige leefomgeving soms ook overdag actief. Op zoektochten kunnen ze grote afstanden afleggen tot wel vijftien kilometer. Ze kunnen goed graven met hun snuit en voorpoten en zo grote percelen bosgrond omwoelen. Dit maakt ze geliefd en gehaat omdat het de grond vruchtbaar maakt maar ook tuinen en akkers overhoop gooit. Een wild zwijn heeft een scherp gehoor en goed reukvermogen, maar ze kunnen slecht zien. Ze leven in groepen, ook wel rotte genoemd, tot wel dertig dieren. Een rotte bestaat uit een aantal vrouwtjes en hun jongen van het eerste en het tweede jaar. Mannetjes leven vanaf hun derde levensjaar alleen. In de rotte geldt een duidelijke rangorde waarbij de mannelijke dieren helemaal onderaan de ladder staan. De voortplantingsperiode van wilde zwijnen valt in november-januari. Onder de mannetjes ontstaan gevaarlijke gevechten waarbij vaak gewonden en doden vallen. De overwinnaar paart met de vrouwtjes.



In februari, maart of april maakt een vrouwtje een kraamkamer. Dit is een kuil van enkele decimeters diep waar ze achteruitlopend plantenmateriaal zoals gras, loof en mos in sleept en afdekt met omgebogen en van boven met speeksel en modder aan elkaar gelijmde twijgen van den of spar. Na een draagtijd van vier maanden worden in april-mei 3 tot 12 jongen, gemiddeld 7, geboren. De jongen, ook wel frislingen genoemd, zijn kaal maar hebben al wel onder- en bovenhoektanden en een derde snijtand. Na een week hebben ze een zwartbruin-goudgeel gestreepte vacht. Na drie weken kunnen ze zelf de grond omwoelen, maar worden nog ongeveer twee maanden gezoogd. Bij het drinken ontstaat een zuigorde, waarbij elk jong zijn eigen tepel heeft. Na zes maanden krijgen de jongen een donkere vacht. Pas in hun tweede jaar zijn ze volgroeid.

Sporen: Zwijnen nemen graag een modderbad, de zoelen zijn herkenbaar en ook de veegsporen daarbij aan de bomen. De meest herkenbare sporen zijn natuurlijk de wroetsporen. Omgewoelde grond, vaak over een groot oppervlak. Aan prikkeldraad, gaas of schuurbomen zijn soms rugharen van het wild zwijn te vinden. Deze haren zijn stug, dik, tot 10 cm lang en zwart met soms bruine delen. De haren zijn aan de top gespleten. Uitwerpselen van wild zwijn hebben een variabel uiterlijk. Ze kunnen tot 7 cm dik zijn, maar zijn meestal dunner. De kleur hangt af van het gegeten voedsel en varieert van donkergroen, zwart tot geel en bruin- tot geelgroen. De afdrukken van de hoeven van wilde zwijnen zijn tot 12 cm lang en 5-7 cm breed. Hoe ouder het dier, hoe groter de afdruk en hoe stomper de hoeven. De bijhoeven zijn vrijwel altijd zichtbaar, al kunnen ze bij pootafdrukken van zeer jonge dieren ontbreken.

De Moeflon

Herkennen: De moeflon is het kleinste wilde schaap en wordt ook wel muffeldier genoemd. Vrouwtjes worden ooien en mannetjes rammen genoemd. Moeflons hebben horens boven op hun kop. Deze groeien vanaf de vierde levensmaand tot het vierde jaar snel, daarna gaat de groei langzamer. Een moeflon draagt het gehele jaar horens en gooit ze niet af zoals herten. De vorm en lengte is per dier verschillend. De punten zijn glad en naar de kop toe zijn de horens sterk geribbeld. Vooral bij oude rammen kunnen de horens tot achter de oren omkrullen. Soms krijgen vrouwtjes ook horens maar die blijven veel kleiner dan die van de mannetjes tot vaak alleen maar korte stompjes. De moeflon heeft een korte, gladde, roodbruine tot kastanjebruine vacht. Rondom de ogen en neus, in de oren, bij de buik, hoeven en dijen is de vacht witachtig. Mannetjes hebben op de rug een lichte, zadelvormige vlek. Vrouwtjes zijn lichter en grijzer van kleur. De ogen staan aan de zijkanten van de kop en zijn geelbruin met zwarte lengtepupillen. De oren steken ver uit de kop. De neus is donker. De mannetjes hebben manen op de nek en in de hals. Jonge dieren hebben een wollige grijsbruine vacht, die na korte tijd vervangen wordt door een haarvacht. En bij jonge mannetjes (tot 2 jaar) ontbreekt de witte zadelvlek. De hoeven van moeflons zijn smal, rond en staan sterk gespreid. De bijhoeven zijn klein. De moeflon is meestal zwijgzaam. Hij kan blaten zoals een huisschaap. Rammen maken brommende geluiden en soms is het stoten van hun horens tegen bomen, stenen en elkaar te horen in de bronsttijd.

Leefwijze: Moeflons zijn van nature schuwe dieren die overdag en in de schemering actief zijn. Het gehoor en reukvermogen van moeflons zijn goed ontwikkeld. Hun gezichtvermogen is zelfs uitstekend; ze kunnen al op grote afstand bewegingen in het landschap waarnemen. De moeflon heeft geen vaste verblijfplaats en ook geen territorium. Wel zijn het echte kuddedieren waarbij de ooien met jongen van een jaar oud en lammeren in één kudde leven, ook wel sprongen genoemd. De rammen leven veelal solitair, soms in kleine kuddes. In de bronsttijd komen de kuddes deels bij elkaar. De bronsttijd loopt van oktober tot november. Na een draagtijd van 150 tot 170 dagen, worden in april en mei de lammeren geboren. Per worp wordt meestal een, soms twee jongen geboren. Ooien worden 14 tot 15 jaar oud, rammen 10 tot 11 jaar.

Sporen: Vraatsporen van de moeflon zijn te vinden op stammen. De bijtrichting ligt vaak scheef op de lengterichting van de stam. Uitwerpselen van de moeflon zijn minder dan 10 mm dik en ongeveer 12 mm lang. Vers zijn ze glimmend en groenbruin tot zwart. De vorm kan onregelmatig zijn van vrij rond tot eivormig. Vooral na het eten van jong gras, kunnen ze in klonten aan elkaar te vinden zijn of vormen ze een brijachtige, vaak lichter gekleurde massa. Moeflons deponeren hun keutels in bosgebieden en hebben geen vaste plek daarvoor. Een pootafdruk van een mannetje is 4,5 cm breed en 5,5 cm lang, die van het vrouwtje iets korter en smaller. De bijhoeven zijn bij uitzondering te zien wanneer de moeflon zich in galop op zachte bodem voortbeweegt.





De vos

Herkennen: Een vos is maar weinig groter dan een flinke kat. De vos heeft een oranjebruine, rode of bruingrijze vacht, korte poten en een langgerekt lichaam. De rug is donkerder dan de flanken en de buik is grijs tot bijna wit. Hij heeft een dikke, lange staart vaak met een witte punt. Hij heeft grote puntige oren die aan de achterzijde zwart zijn, een zwart-witte snuit en amberkleurige ogen. De wintervacht is veel dikker dan de zomervacht en meestal grijzer van kleur. De vos heeft een goed gehoor en reuk maar ziet minder scherp. Bij het vallen van de avond een kort, schril keffen. In de winter een lange, klagende, pauwachtige roep van het vrouwtje. In de bronsttijd geschreeuw en gegrom. Waarschuwende blafjes en klokkende geluidjes van het vrouwtje tegen haar jongen.

Leefwijze: De vos is een schemer- en nachtdier en leeft in familiegroepen bij elkaar. In heel rustige gebieden zijn ze ook overdag wel actief. Holen worden meestal alleen door de wijfjesvossen gebruikt om in te slapen, in winter en voorjaar, als ze drachtig zijn of kleine jongen hebben. In de overige jaargetijden slapen ze meestal, net als de meeste mannetjes het gehele jaar door doen, op een beschut plekje bovengronds, onder een dichte struik bijvoorbeeld. Vossen krijgen eenmaal per jaar jongen. De paartijd valt in december tot februari. Na een draagtijd van ongeveer 53 dagen worden eind maart of begin april de 1 tot 14, maar meestal 4 tot 5 jongen geboren in een klein hol onder boomwortels of in een rotsspleet. De jongen hebben een donkergrijsbruine kleur. Pas na een dag of twaalf gaan de oogjes van de jongen open. Hun eerste stapjes buiten het hol zetten ze na een week of drie, vier. Tegen die tijd worden ze meestal door het vrouwtje naar een ander, groter hol verplaatst. Na vier weken krijgen de jonge vosjes vast voedsel. Het mannetje woont niet in het hol maar brengt wel voedsel aan in de eerste weken. Vanaf half juni verblijven de jongen meestal bovengronds, vaak op een plek met dicht struikgewas. Vanaf eind september gaan de jongen op zoek naar een eigen territorium. Hun zwerftochten strekken zich soms tot enkele tientallen kilometers afstand van hun geboorteplaats uit. 80% van de jongen haalt het eerste levensjaar niet. In het wild worden vossen 9 jaar oud, in gevangenschap tot wel 15 jaar.

Sporen: Soms laten vossen plukjes haren achter op prikkeldraad, daar waar ze er vaak onderdoor kruipen. Vossenharen zijn 25 mm lang, recht, rood- tot grijsbruin met een lichte punt. De uitwerpselen vertonen een grote variatie in kleur, vorm en afmeting vanwege het zeer diverse dieet. De prent van een vos lijkt op die van een hond maar is slanker.

 

De das

Herkennen: De das is het grootste voorkomende landroofdier in Nederland en behoort tot de familie der marterachtigen. De das heeft een grote, brede kop en een zwaargebouwd gedrongen lichaam. Hij heeft korte poten en een korte, brede staart. De rug en de flanken hebben een zwart-witte vacht en de onderzijde is geelwit. De kop is wit met twee brede zwarte strepen als een boevemasker. Deze lopen vanaf het achterhoofd over de oren en ogen en eindigen in een punt bij de mondhoeken. De das heeft kleine zwarte ogen, kleine wit-zwarte oren en een zwarte neus. Zijn staart is wit en onder de staart zitten geurklieren waaruit een muskusachtige afscheiding kan worden afgegeven. De das heeft stevige tenen met lange, gekromde nagels, waarmee hij uitstekend kan graven. De das is een zeer stil dier, toch kan hij veel verschillende geluiden maken. In opwinding maakt de das mekkerende, tokkende, snuivende en grommende geluiden. Bij de jongen maakt de das piepende en kirrende geluiden. Bij bedreiging is een diep, zwaar gebrom te horen en bij angst, gevechten en hevige pijn schreeuwt hij hard.

Leefwijze: De das is een nachtdier die in de schemering zijn burcht verlaat. De das leeft in familiegroepen van gemiddeld 3 tot 4 dieren. De das houdt geen winterslaap, maar is tijdens koudere periodes veel minder actief en soms blijft hij dan dagenlang in de burcht. Dassen leven in uitgebreide zelf gegraven holenstelsels, ook wel burchten genoemd. Deze burchten liggen in bosranden, houtwallen, brede heggen, in hoogliggend terrein of op hellingen en altijd in de buurt van gras- en akkerland en water. Een burcht heeft meestal meerdere ingangen en bestaat uit holen die door lange gangen met elkaar verbonden zijn. De gangen worden pijpen genoemd en de holen woonketels. De paartijd van de das valt in de vroege lente, maar soms wordt er ook in andere maanden, vooral in de zomer, gepaard. In februari-maart worden de jongen geboren. De werkelijke draagtijd bedraagt echter maar 7 weken. Een worp bestaat uit twee tot vier, maar meestal uit drie jongen. De das wordt 3 tot 6 jaar oud, zelden ouder. De maximale leeftijd bedraagt 15 jaar en in gevangenschap zelfs 20 jaar.

Sporen: Vraatsporen van de das zijn re vinden op maïskolven. De das laat ook graafsporen achter. Dit is echter van kleinere omvang dan bij everzwijnen. Dassen graven ook wespen- of bijennesten uit. Dassen krabben ook wel eens de bodem aan de voet van dode bomen uit wanneer ze op zoek zijn naar insecten. Uitwerpselen van de das zijn zwart, donkergroen, vast en worstvormig tot bruin, geel en dikvloeibaar en vormloos. Dit is afhankelijk van het gegeten voedsel. De das graaft kleine, 10 tot 15 cm diepe, putjes, een latrine, om zijn uitwerpselen in te deponeren. Loopsporen van de das zijn goed herkenbaar. Ze hebben de vorm van een halvemaan met 5 ovale tenen met zware nagelafdrukken van lange nagels aan de voorpoten tot wel 3 cm. Ze zijn 5 tot 6 cm breed met een niervormig middenvoetkussen. Dassenburchten zijn te herkennen aan de grote hoeveelheden zand en ‘gemorst’ nestmateriaal, waardoor ze te onderscheiden zijn van vossenholen. Op deze stortbergen loopt vaak een geul en er zijn dassenharen en loopsporen op te vinden. Bij oudere burchten zijn vaak 20 tot 30 cm brede wissels tussen de holingangen en foerageergebieden of plekken met nestmateriaal te vinden. Ook zijn er vaak mestputjes in de buurt van de burcht. De vorm van een niet al te oud en uitgesleten dassenhol is iets breder dan hoog met een diameter van 25 tot 30 cm. Andere dieren zoals muizen, kleine marters en vossen, leven vaak bij de dassen in hun burcht.





BRON: De Zoogdiervereninging



Stichting het Nationale Park de Hoge Veluwe

De Veluwse VVV's

Profiel Anne van der Feest

Renovatie Jachthuis Sint Hubertus geslaagd

Door: Anne van der Feest

De eerste fase van de restauratiewerkzaamheden startte in september 2012 en loopt tot juni 2013. In september 2013 is het meubilair weer terug gezet in het gebouw. De tweede fase van de restauratie start in oktober 2013 en zal tot het voorjaar van 2014 duren. Verbouwen, het klinkt zo simpel, het kan zo complex zijn. Hangt het af van welk complex verbouwd gaat worden? Als het gaat om een jachthuis ipv een klooster kun je evengoed monnikenwerk verwachten……  Jachthuis Sint Hubertus met vakmanschap teruggebracht in oude luister. Bijzonder is het om rond te lopen in een leeg jachthuis. Kale ruimtes zonder meubels waar druk gewerkt wordt door de beste vaklieden, ...

Lees verder
De Big Five van de Hoge Veluwe

Door: Anne van der Feest

Bij de Big Five denken we vaak aan Zuid Afrika, maar ook in Nederland kunnen we “op jacht” ...

Lees verder
Kröller Müllermuseum en Jachthuis St Hubertus

Door: Anne van der Feest

Kröller Müllermuseum en Jachthuis St Hubertus, beide in Nationaal Park Hoge ...

Lees verder
Bezoek aan Stoomgemaal Nijkerk

Door: Anne van der Feest

Deze zomer is het 'Stoomgemaal Hertog Reijnout' weer regelmatig onder stoom. Te beginnen op ...

Lees verder
Brand op de Hoge Veluwe, hoop op snel herstel

Door: Anne van der Feest

Op eerste Paasdag 2014 breekt paniek uit in Nationaal Park De Hoge Veluwe. Zo’n 10 procent van ...

Lees verder
Beschrijving Hoge Veluwe

Door: Ecktiv Redactie

Opgestuwde zandgronden met bos, heide en vlaktes

Lees verder
Cultuur Hoge veluwe

Door: Ecktiv Redactie

Kröller-Müller Museum en Jachthuis Sint Hubertus

Lees verder
Landschap Hoge Veluwe

Door: Ecktiv Redactie

Permanente regenplassen, eenzame bomen en een standbeeld

Lees verder
Activiteiten Veluwe zomer 2012

Door: Anne van der Feest

Een aantal activiteiten voor jong en oud, die de moeite waard zijn om te bezoeken deze zomer op ...

Lees verder
De Berlagewandeling in orginele staat hersteld

Door: Anne van der Feest

In het Nationale Park De Hoge Veluwe is twee jaar gewerkt aan de reconstructie van het park bij ...

Lees verder
Bronsttijd op de Veluwe

Door: Anne van der Feest

De maand september staat in Het Nationale Park De Hoge Veluwe geheel in het teken van de bronst ...

Lees verder
Restauratie Jachthuis Sint Hubertus

Door: Anne van der Feest

Het Jachthuis Sint Hubertus is met ingang van 27 augustus 2012 gesloten vanwege ...

Lees verder

- Advertentie -